Aan ieder kind wordt een mentor toegewezen. De mentor werkt op de groep waar het kind is geplaatst. De mentor voert het intakegesprek met de ouders en volgt de ontwikkeling van het kind en is een belangrijk aanspreekpunt voor ouders. Zes weken na plaatsing bespreekt de mentor het welbevinden van het kind met de ouders. Binnen de zorgstructuur wordt gewerkt met observaties (KIJK systeem). Deze vinden plaats als een kind de leeftijd heeft bereikt van 2 jaar 5 mnd, 2 jaar 11 mnd, 3 jaar 5 mnd en 3 jaar 11 mnd (afhankelijk van de leeftijd bij aanvang). De ouders krijgen kort daarna een gesprekje met de mentor van hun kind over de observatie. Het gesprekje over het welbevinden kan ook bij het halen of brengen plaatsvinden als er geen reden is tot zorg. Bij reden tot zorg wordt een afspraak gemaakt met betreffende ouder(s) en volgt een uitgebreider gesprek. Bij het gesprek 2 jaar 11 mnd, wijzen we de ouders er op om hun kind in te schrijven bij de basisschool.

Wanneer er zorgen zijn over de ontwikkeling van een kind wordt het elke zes weken besproken in het zorgoverleg. Rapportage hiervan is terug te vinden in de zorgmap bij de betreffende kind.
Mochten er bijzonderheden rondom de ontwikkeling van het kind zijn, dan wordt de zorgco├Ârdinator ingeschakeld. Zij kan in overleg met de ouders en pedagogisch medewerksters bekijken wat de beste begeleiding is voor het kind.
Bij de laatste observatie wordt gevraagd of ouders toestemming geven om de KIJK gegevens over te dragen naar de ontvangende basisschool.

De pedagogisch medewerkster die de oudergesprekken van een kind heeft gevoerd, doet de overdracht naar de bassischool (St. Jozefschool of een andere basisschool) van het kind dat de maand later naar de basisschool gaat: de zogenaamde koude overdracht (alleen de KIJK-lijnen worden afgegeven) of de warme overdracht (afspraak voor mondelinge toelichting) bij geïndiceerde- en zorgkinderen